Op 15 maart 1345, zo vertelt de overlevering, lag een man in een huis aan de Kalverstraat ziek op bed en vreesde te sterven. Hij liet een priester roepen om hem te bedienen en van het Heilig Sacrament (de hostie) te voorzien. Na het eten van de hostie kreeg de zieke braakneigingen en moest tenslotte overgeven in het brandende haardvuur van zijn kamer. Maar na verloop van tijd bleek dat hij niet alleen de hostie onbeschadigd had uitgebraakt, maar dat bovendien het vuur het Heilig Sacrament niet had aangetast. Was dat nog niet mirakuleus genoeg: de hostie die de volgende dag door de priester van de Oude of Nicolaaskerk weer was opgehaald, keerde vanuit de Oude Kerk op wonderbaarlijke wijze in het huis van de man terug. Het was een nieuw mirakel dat zich daarna nog eens tweemaal herhaalde. Voor de middeleeuwse mens was dit de noodzakelijke bevestiging om in de gebeurtenissen definitief de hand van God te kunnen herkennen. Het duidde tevens Gods klaarblijkelijke wens aan om op de plaats waar het Mirakel had plaatsgevonden, 'dese gracie ende ghenade' openbaar te maken en gestalte te geven. De betrokkenen besloten daartoe de woning tot een devotie- of bedevaartkapel om te bouwen. Meer over de geschiedenis van Mirakel en Stille Omgang